Paragraaf A: Lokale heffingen
Inleiding
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - InleidingDe lokale heffingen vormen een belangrijke bron van inkomsten en zijn onderdeel van de gemeentelijke beleidsvrijheid. Deze paragraaf geeft inzicht in het beleid van de gemeentelijke belastingen en heffingen voor 2026. Tevens wordt een raming afgegeven van de verwachte opbrengsten, gebaseerd op de door de raad aangegeven uitgangspunten. De vaststelling van de tarieven gebeurt niet bij de begroting maar separaat bij de vaststelling van de belastingverordeningen 2026.
Achtereenvolgens komen aan de orde:
1 Inleiding
1.1 Tarievenbeleid
1.2 Besluit Begroting en Verantwoording
2 Hoofdlijnen per belastingsoort
2.1 Afvalstoffenheffing
2.2 Forensenbelasting
2.3 Leges
2.4 Lijkbezorgingsrechten
2.5 Marktgelden
2.6 Onroerende-zaakbelastingen (OZB)
2.7 Precariobelasting
2.8 Rioolheffing
2.9 Toeristenbelasting
2.10 Reclamebelasting
3. Overzichten
3.1 Opbrengstenoverzicht
3.2 Kostendekkendheid leges
4. Kwijtscheldingsbeleid
5. Lokale lastendruk
Er wordt onderscheid gemaakt in belastingen waarbij de besteding van de opbrengsten vrij is en heffingen en retributies waarvan de opbrengst gebonden is aan het doel waarvoor deze worden geheven.
Belastingen
Onroerende zaakbelastingen, precariobelasting, reclamebelasting, forensenbelasting en toeristenbelasting.
Heffingen en retributies
Afvalstoffenheffing, rioolheffing, marktgelden, lijkbezorgingsrechten en leges.
1. Tarievenbeleid
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 1. TarievenbeleidTarieven
De tarieven voor de belastingsoorten waarvan op dit moment onvoldoende duidelijkheid is worden in deze paragraaf niet genoemd. Dit betreffen de procentuele tarieven op basis van de WOZ-waarde omvang. Alle belastingtarieven worden opgenomen in de betreffende belastingverordeningen, deze worden in november 2025 ter vaststelling voorgelegd.
Afvalstoffen- en rioolheffing
Het uitgangspunt bij de riool- en afvalstoffenheffing is dat de heffingen kostendekkend zijn/worden ten aanzien van de toegerekende kosten zonder dat de voorziening negatief wordt. Mocht er in een jaar minder uitgegeven zijn dan dat er aan heffingen binnen is gekomen dan wordt het teveel ontvangen bedrag gestort in de egalisatie voorziening afval c.q. riool. Als er meer is uitgegeven dan begroot dan wordt het tekort zoveel mogelijk uit de egalisatievoorziening onttrokken. De egalisatievoorziening mag niet negatief komen te staan.
Leges
Door de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is de aard en de omvang van de leges gewijzigd. Daarbij kunnen gemeenten wel of niet kostendekkende tarieven hanteren en eventueel voor andere vergunningen meer of minder leges in rekening brengen (kruissubsidiëring).
Afronding
Berekende tarieven over heffingen en leges kunnen leiden tot onwerkbare tarieven van centen achter de komma. Op dit punt is er al een staande praktijk van neerwaartse afronding op 5 cent bij tarieven tot € 10,00, afronding op 10 cent bij tarieven van € 10,00 tot € 1.000 en afronding op hele euro’s (naar boven of beneden) vanaf € 1.000,00. Voor leges vindt de afronding naar boven plaats. Om indexeringen zo nauwkeurig mogelijk toe te passen en om te voorkomen dat lagere tarieven door de afronding nooit tot een verhoging komen vindt indexering plaats op de niet afgeronde tarieven 2025. Voor afvalstoffenheffing en rioolheffing, geldt dat het tarief wordt afgerond op een bedrag dat deelbaar is door 12.
1.2 Besluit Begroting en Verantwoording (BBV)
De kostprijs van gemeentelijke producten en diensten bestaat uit twee componenten: De aan het betreffende taakveld toegerekende directe lasten verhoogd met indirecte lasten, de overhead. De overhead wordt berekend conform de financiële verordening.
2. Hoofdlijnen per belastingsoort
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2. Hoofdlijnen per belastingsoort2.1 Afvalstoffenheffing
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.1 AfvalstoffenheffingDoorbelast worden de kosten van de inzameling, afvalverwerking, belastingen, overhead en de personeelskosten. Er vindt geen doorbelasting plaats vanuit straatreiniging en schoonmaak strand.
Vanaf 2021 wordt de opbrengst van de afvalstoffenheffing gebaseerd op een vaste en een variabele component. De hoogte van de vaste heffing is afhankelijk van de omvang van het huishouden en de hoogte van de variabele heffing is afhankelijk van het aantal malen dat er restafval wordt aangeboden.
Kerncijfers
In de berekening van de opbrengst in relatie tot de kostendekkendheid wordt uitgegaan van het aantal 1-persoons-, 2-persoons- en 3 of meerpersoonshuishoudens.
Opbrengsten
Voor 2026 wordt voorgesteld de totale opbrengst met 2,6% te laten stijgen, exclusief areaaluitbreiding. Met deze stijging en een onttrekking van € 32.000 uit de voorziening worden de kosten 2026 gedekt. De opbrengsten voor 2026 tot en met 2029 als volgt geraamd:
Belastingplichtigen en heffingsgrondslag
Belastingplichtig is de gebruiker van een perceel waar de gemeente een inzamelplicht heeft voor huishoudelijke afvalstoffen. Er wordt 85% als uitgangspunt voor de vaste heffing gehanteerd en 15% wordt bepaald door de variabele heffing. Omdat hoogbouwbewoners geen PMD bak ter beschikking hebben en daarom minder afval kunnen scheiden, leidt dit tot meer restafval. Bij gebruik van verzamelcontainers wordt daarom een korting op het tarief per inworp van een afvalzak toegepast.
Tarieven
De afvalstoffenheffing kent, buiten de tarieven voor het afhalen van grofvuil aan huis drie vaste tarieven, te weten een tarief voor:
- éénpersoonshuishoudens;
- tweepersoonshuishoudens;
- drie- of meerpersoonshuishoudens.
Naast de vaste tarieven is er sprake van een variabele component in de afvalstoffenheffing in de vorm van een tarief per containerlediging of inworp per afvalzak in een verzamelcontainer. Tot 2024 heeft de vaste heffing voor 85% en de variabele heffing voor 15% deel uitgemaakt van de totale afvalstoffenheffing. Met ingang van 2024 worden als gevolg van een aangenomen amendement op 7 december 2023, verhogingen van de tarieven verwerkt in het tarief van de variabele heffing. Het tarief van de vaste heffing wordt pas weer verhoogd nadat een verhouding van 75%-25% is bereikt. Met de in het volgende overzicht weergegeven tarieven voor 2026 wordt een verhouding van 79%-21% bereikt.
Tarieven vaste heffing bedragen x € |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
||
1-persoonshuishouden |
204,12 |
204,12 |
204,12 |
204,12 |
||
2-persoonshuishouden |
227,52 |
227,52 |
227,52 |
227,52 |
||
>2-persoonshuishouden |
269,40 |
269,40 |
269,40 |
269,40 |
||
Tarieven variabele heffing bedragen x € |
2023 |
2024 |
2025 |
2026 |
||
Lediging container 140 liter |
3,64 |
5,10 |
5,41 |
6,15 |
||
Lediging container 240 liter |
6,25 |
8,75 |
9,28 |
10,55 |
||
Inworp trommel 30 liter |
0,55 |
0,77 |
0,82 |
0,93 |
||
Inworp trommel 60 liter |
1,10 |
1,54 |
1,63 |
1,86 |
Bedragen x € 1 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Vaste afvalstoffenheffing |
3.873.000 |
3.987.000 |
4.105.000 |
4.229.000 |
||
Variabele afvalstoffenheffing |
903.000 |
932.000 |
960.000 |
990.000 |
||
Totaal opbrengst |
4.776.000 |
4.919.000 |
5.065.000 |
5.219.000 |
Kostendekkendheid afvalstoffenheffing |
Begroting |
||
Bedragen x € 1 |
2026 |
||
Kosten taakveld afval, incl. (omslag)rente |
3.213.000 |
||
Inkomsten, excl. heffingen |
570.000 |
||
Netto kosten |
2.643.000 |
||
Toe te rekenen kosten: |
|||
BTW |
430.000 |
||
toegerekende overhead |
1.642.000 |
||
Dubieuze debiteuren 1% |
0 |
||
A Totale kosten |
4.715.000 |
||
Opbrengst heffingen |
3.873.000 |
||
Opbrengst variable heffing |
903.000 |
||
Kwijtschelding |
93.000 |
||
B Totale opbrengsten |
4.683.000 |
||
B-A opbrengsten minus kosten |
-32.000 |
||
Onttrekking voorziening |
32.000 |
||
Dekkingspercentage (B/A) |
99% |
||
2.2 Forensenbelasting
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.2 ForensenbelastingBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
De forensenbelasting wordt geheven van personen die niet in gemeente wonen, maar wel gedurende meer dan 90 dagen een gemeubileerde woning in de gemeente beschikbaar houden.
De heffingsgrondslag voor de forensenbelasting bestond tot 2024 uit een vast bedrag per woning. De hoogte van de belasting werkte hierdoor niet voor alle typen woningen evenredig uit. Met ingang van 2024 is een wijziging doorgevoerd in de berekening van de forensenbelasting en is de heffingsgrondslag komen te bestaan uit
een percentage van de WOZ-waarde waardoor de hoogte van de belasting afhankelijk is van de WOZ waarde van de woning, gelijk aan het principe zoals wordt toegepast bij de berekening van OZB. Forensenbelasting wordt geheven na afloop van het belastingjaar omdat pas dan kan worden bepaald of er sprake is van een belastingplicht.
Kerncijfers, waardeontwikkeling en areaal
Tot 2024 bestond het areaal uit totale het aantal tweede woningen waarvoor een forensenbelastingplicht van toepassing was. Voor iedere woning werd hetzelfde vaste tarief in rekening gebracht. Vanaf 2024 geldt dit principe nog steeds, echter voor woningen tot een bepaalde WOZ-waarde. Voor woningen met hogere WOZ-waarden vindt tarifering plaats op basis van een percentage van de WOZ-waarde. Voor 2026 is voorzien in een verhoging van de opbrengst van € 116.000 in 2025 tot 130.000 in 2026.
Voor de berekening van de heffingsgrondslag 2026 wordt de volgende systematiek gehanteerd:
- voor woningen met een WOZ waarde tot € 70.000 is een vast tarief van € 285,80 van toepassing. Dit betreffen veelal kleinere recreatiewoningen.
- voor woningen met een WOZ waarde van € 70.000 en hoger vindt tarifering van de forensenbelasting plaats op basis van 0,4187% van de WOZ waarde.
Opbrengsten
Rekening houdend met de hierboven aangegeven uitgangspunten worden de begrote opbrengsten als volgt geraamd:
Bedragen x € |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Forensenbelasting |
130.000 |
130.000 |
130.000 |
130.000 |
2.3 Leges
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.3 LegesBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
Leges kunnen worden geheven voor ‘van gemeentewege verleende diensten’. De diverse diensten waarvoor leges zijn verschuldigd zijn opgenomen in de tarieventabel behorende bij de legesverordening.
Kostendekkendheid en transparantie
De opbrengsten betreffen de verwachte inkomsten in 2026, zoals die in het financieel systeem zijn opgenomen. De kosten bestaan uit verschillende componenten:
- de directe kosten die aan het product zijn te relateren (bijvoorbeeld afdracht aan Rijk voor een geleverd paspoort);
- de directe apparaatskosten (de salarislasten van het personeel dat direct aan het product werkt);
- de toegerekende overhead.
Door de berekende kosten af te zetten tegen de begrote opbrengsten, kan de kostendekkendheid worden bepaald. De conclusie is dat hoewel de gemeente streeft naar 100% kostendekkende leges, dit in de praktijk niet aan de orde is.
Kostendekkendheid leges 2026
De legestarieventabel is verdeeld in 3 hoofdstukken. De afzonderlijke hoofdstukken zijn onderverdeeld in verschillende paragrafen.
Hoofdstuk 1 betreft leges voor algemene dienstverlening, zoals aanvragen voor rijbewijzen, reisdocumenten en uittreksels. Hoofdstuk 2 betreft leges voor dienstverlening in het kader van de Omgevingswet. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, erfgoed, milieu, natuur en water.
Hoofdstuk 3 betreft dienstverlening vallend onder de Europese dienstenrichtlijn. Dit betreffen leges voor de behandeling van aanvragen van vergunningen ten behoeve van dienstverrichters of dienstverleners.
De leges mogen “overall” op het niveau van de gehele verordening maximaal 100% kostendekkend zijn. Dit betekent dat (met uitzondering van hoofdstuk 3) een onderdekking op het ene hoofdstuk gecompenseerd mag worden met een overdekking op een ander hoofdstuk. Deze zogenaamde kruissubsidiëring tussen de hoofdstukken is in Castricum niet aan de orde. De tabel onder 3.2 geeft de kostendekkendheid van de leges in Castricum weer.
2.4 Lijkbezorgingsrechten
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.4 LijkbezorgingsrechtenBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
De rechten worden geheven voor onder meer het begraven van personen en voor het onderhoud van de begraafplaatsen. De tarieven voor de afzonderlijke belastbare feiten zijn opgenomen in de tarieventabel behorende bij de verordening lijkbezorgingrechten.
Het uitgangspunt voor de tarieven van de lijkbezorgingrechten is gebaseerd op volledige kostendekking op tarieven die betrekking hebben op:
- de uitgifte van graven (inclusief grafonderhoud);
- het begraven;
- de algemene kosten voor het in stand houden (groenbeheer) van de gemeentelijke begraafplaatsen.
Kerncijfers en areaal
De kerncijfers voor de lijkbezorgingrechten bestaan hoofdzakelijk uit het aantal meerjarige rechten op graven, het aantal begravingen en bijzettingen per jaar en het aantal onderhoudsrechten op graven en dergelijke. Op 26 juni 2024 is de mogelijkheid tot het begraven van overledenen in natuurgraven geïntroduceerd, hiervoor is een
gedeelte van de begraafplaats Onderlangs als zodanig ingericht.
Opbrengsten
Rekening houdend met het uitgangspunt van 2,6% stijging van de opbrengsten in 2026, gebaseerd op de ‘Consumentenprijsindex’ (CPI) zoals vermeld in het ‘Centraal economisch plan’ (CEP) uit maart 2025 van het ‘Centraal planbureau’ (CPB) en 2,5% voor de opvolgende jaren worden de begrote opbrengsten voor 2026 tot en met 2029 als volgt geraamd:
De beheerskosten van de begraafplaatsen zijn hoger dan de inkomsten. Er is geen sprake van volledige kostendekking. Dit is in overeenstemming met het beleidsplan begraafplaatsen.
Bedragen x € 1 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Begraafplaatsrechten |
303.000 |
313.000 |
325.000 |
331.000 |
Kostendekkendheid begraafplaatsrechten |
Begroting |
|
Bedragen x € 1 |
2026 |
|
Kosten, incl. (omslag)rente |
402.000 |
|
Inkomsten, excl. Heffingen |
0 |
|
Netto kosten |
402.000 |
|
Toe te rekenen kosten |
||
Overhead incl. (omslag)rente |
254.000 |
|
Overige toe te rekenen kosten |
0 |
|
A Totale kosten |
656.000 |
|
Opbrengsten heffingen |
||
B Totale opbrengsten |
303.000 |
|
Dekkingspercentage B/A |
46% |
2.5 Marktgelden
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.5 MarktgeldenBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
Voor het innemen van een standplaats op markten wordt marktgeld geheven. De berekening van de hoogte van het marktgeld wordt gedaan naar strekkende meters van de kraam.
Opbrengsten
Rekening houdend met het uitgangspunt van een opbrengststijging van € 11.500 worden de begrote opbrengsten bij een gelijkblijvend areaal als volgt geraamd:
Zoals uit het volgende overzicht blijkt zijn de kosten van de markten hoger dan de inkomsten, van volledige kostendekking is geen sprake. Gelet op de huidige situatie van het marktwezen wordt het niet mogelijk geacht de mate van kostendekkendheid te verhogen.
Bedragen x € 1 |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Marktgelden |
30.000 |
30.000 |
30.000 |
30.000 |
Kostendekkendheid marktgelden |
Begroting |
|
Bedragen x € 1 |
2026 |
|
Kosten, incl. (omslag)rente |
51.000 |
|
Inkomsten, excl. Heffingen |
3.000 |
|
Netto kosten |
48.000 |
|
Toe te rekenen kosten |
||
Overhead incl. (omslag)rente |
30.000 |
|
Overige toe te rekenen kosten |
0 |
|
A Totale kosten |
78.000 |
|
Opbrengsten heffingen |
||
B Totale opbrengsten |
30.000 |
|
Dekkingspercentage B/A |
38% |
2.6 Onroerende-zaakbelastingen (OZB)
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.6 Onroerende-zaakbelastingen (OZB)Onder de naam onroerende zaakbelastingen kunnen een drietal belastingen worden geheven;
- een belasting voor eigenaren van woningen;
- een belasting voor eigenaren van niet-woningen;
- een belasting voor gebruikers van niet-woningen.
Belastingplichtigen en heffingsgrondslag
De heffing van OZB van gebruikers van niet-woningen is in Castricum per 2024 afgeschaft. De opbrengst van de gebruikersbelasting is daarbij toegevoegd aan de OZB opbrengst van eigenaren van niet-woningen. De onroerende zaakbelastingen voor het eigendom van woningen en niet-woningen worden geheven van degene die op 1 januari van het belastingjaar in het Kadaster bekend staat als de zakelijk gerechtigde van de onroerende zaak.
De hoogte van de aanslag 2026 is afhankelijk van de WOZ-waarde op de waardepeildatum. Dit betreft de waarde van de onroerende zaak per 1 januari van het jaar voorafgaand aan het belastingjaar, in dit geval 1 januari 2025. Deze waarde, vermenigvuldigd met een percentage daarvan (het tarief) vormt het aanslagbedrag OZB. De waarde van de onroerende zaken wordt bepaald en vastgesteld onder het regime van de Wet WOZ. De tarieven 2026 komen in november 2025 beschikbaar. Deze worden in de Verordening OZB 2026 opgenomen en ter vaststelling voorgelegd.
Kerncijfers, waardeontwikkeling en areaal
De kerncijfers voor de bepaling van de te verwachten opbrengst van de onroerende zaakbelastingen betreffen de totale waarde van de woningen en de totale waarde van de niet-woningen op 1 januari van het jaar, voorafgaand aan het belastingjaar. Daarbij wordt rekening gehouden met de omvang van de vrijgestelde WOZ waarde waarover geen OZB kan worden geheven.
In Castricum is de heffing van OZB van gebruikers van niet-woningen per 2024 opgeheven onder gelijktijdige evenredige verhoging van het tarief voor eigenaren van niet-woningen. Hierdoor zijn 2 kerncijfers niet meer van invloed op de tariefstelling. Dit is het percentage leegstand en de omvang van de vrijstelling op woondelen bij niet-woningen. Voor de OZB-eigenaren opbrengst zijn beide factoren niet relevant.
Opbrengsten
Conform de door de raad aangegeven uitgangspunten is in de berekening van de begrote OZB opbrengst woningen voor 2026 rekening gehouden met een extra opbrengst van € 800.000. In de berekening van de begrote OZB opbrengst niet-woningen is voor 2026 rekening gehouden met een extra opbrengst van € 200.000. In deze extra opbrengsten zijn de financiële effecten als gevolg van areaaluitbreiding zoals bijvoorbeeld nieuwbouw niet verwerkt.
Rekening houdend met de hierboven aangegeven uitgangspunten worden de OZB opbrengsten 2026 als volgt geraamd:
Bedragen x € |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Eigenaren niet-woningen |
2.822.000 |
2.875.000 |
2.955.000 |
3.033.000 |
||
Eigenaren woningen |
7.166.000 |
7.510.000 |
7.924.000 |
8.133.000 |
||
Totaal opbrengst OZB |
9.988.000 |
10.385.000 |
10.879.000 |
11.166.000 |
2.7 Precariobelasting
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.7 PrecariobelastingBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
Precariobelasting wordt geheven van degenen die voorwerpen hebben die zich op, onder of boven openbare gemeentegrond bevinden. De precariobelasting bestaat uit permanente belastbare feiten (bijvoorbeeld terrassen) en incidentele belastbare feiten (bijvoorbeeld een tijdelijke bouwcontainer). Na 1 januari 2022 mag geen precariobelasting meer worden geheven over netwerken van nutsbedrijven.
In de regel worden de aanslagen voor de permanente belastbare feiten na afloop van het belastingjaar opgelegd. Dit, aangezien pas na afloop van het belastingjaar de omvang van de belastingplicht bekend is.
Kerncijfers en areaal
Door periodieke plaatselijke controles wordt de actualiteit van de bestandsgegevens voor de precariobelasting op peil gehouden. In juli 2023 heeft een volledige inventarisatie plaatsgevonden en is het gegevensbestand voor de precariobelasting geoptimaliseerd.
Opbrengsten
De begrote opbrengsten 2026 - 2029 worden als volgt geraamd:
Bedragen x € |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Precariobelasting |
75.000 |
75.000 |
75.000 |
75.000 |
2.8 Rioolheffing
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.8 RioolheffingDoorbelast worden de kosten van riool inclusief omslagrente, personeel, overhead en BTW. Er vindt geen doorbelasting plaats van straatreiniging, onkruidbestrijding en beschoeiingen. In het in juni 2023 aangenomen Programma Water en riolering is opgenomen dat baggeren voor 50% wordt doorbelast. Deze kosten houden meer dan zijdelings verband met de taken waarvoor de rioolheffing wordt ingesteld. Door te baggeren blijft het riool schoner en is er minder behoefte aan de reiniging van het riool.
Belastingplichtigen en heffingsgrondslag
De rioolheffing wordt geheven van de gebruiker van een object van waaruit direct of indirect water wordt afgevoerd op de gemeentelijke riolering. De heffingsgrondslag voor de rioolheffing heeft een relatie met de hoeveelheid water dat vanuit het object wordt afgevoerd.
Er is sprake van een tarievenstelsel waarbij 300 m3 waterverbruik als uitgangspunt wordt gebruikt voor het basistarief. Veruit de meeste woningen vallen onder het basistarief. Voor elke volle eenheid van 100m3 afvalwater boven 300m3 is een additioneel tarief van toepassing. Voor gebruikers van panden met een aansluiting voor uitsluitend hemel- of grondwater geldt een tarief van 25% van het basistarief. Ook deze gebruikers hebben namelijk baat bij de hemelwater- en eventuele drainagevoorzieningen in de openbare ruimte.
Als gedurende het boekjaar sprake is van overdekking (meer werkelijke opbrengsten dan werkelijke kosten) wordt het meerdere in de egalisatievoorziening gestort. Daarentegen wordt bij een onderdekking (meer werkelijke kosten dan werkelijke opbrengsten) het verschil aan de egalisatievoorziening onttrokken.
Kerncijfers (kosten en opbrengsten)
Kerncijfers voor de bepaling van de inkomsten uit rioolheffing zijn:
- het aantal percelen waarvoor het basistarief geldt (0 tot en met 300 m3 waterafvoer);
- het aantal volle eenheden van 100m3 afvalwater per perceel indien sprake is van overschrijding van de in het basistarief opgenomen maximale hoeveelheid van 300m3 afvalwater.
- het aantal percelen waarvan water indirect wordt afgevoerd op de gemeentelijke riolering.
Opbrengsten
Rekening houdend met een gelijkblijvend areaal zoals genoemd bij de kerncijfers en een positief blijvende voorziening worden de opbrengsten voor 2026 tot en met 2029 als volgt geraamd:
Bedragen x € |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Rioolheffing |
4.095.000 |
4.184.000 |
4.273.000 |
4.362.000 |
Kostendekkendheid rioolheffing |
Begroting |
||
Bedragen x € 1 |
2026 |
||
Kosten taakveld riolering, incl. (omslag)rente |
1.896.063 |
||
Inkomsten, excl. heffingen |
-3.800 |
||
Storting spaarvoorziening |
1.288.490 |
||
Netto kosten taakveld |
3.180.753 |
||
Toe te rekenen kosten: |
|||
BTW |
537.124 |
||
Overhead |
431.500 |
||
50% bagger kosten |
40.064 |
||
Totale kosten |
4.189.441 |
||
Opbrengst heffingen |
4.095.000 |
||
Kwijtschelding |
-75.000 |
||
oninbaarheid dubieuze debiteuren |
0 |
||
Totale opbrengsten |
4.020.000 |
||
Verschil |
-169.441 |
||
Mutatie voorziening |
-169.441 |
||
Dekkingspercentage |
96% |
||
2.9 Toeristenbelasting
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.9 ToeristenbelastingBelastingplichtigen en heffingsgrondslag
De toeristenbelasting wordt geheven voor het tegen betaling overnachten in de gemeente door personen die geen inwoner van de gemeente zijn. De belasting wordt geheven van degene die gelegenheid tot nachtverblijf biedt. De aanslagoplegging voor de toeristenbelasting vindt na afloop van het belastingjaar plaats, op basis van de ingediende aangiften.
Kerncijfers en areaal
Sinds een aantal jaren is het aanbieden van verblijf via internet aanzienlijk toegenomen. In de uitvoering van de toeristenbelasting wordt periodiek gecontroleerd op de juistheid en volledigheid van de gevoerde verblijfsadministraties door de aanbieders van verblijf.
Bij de berekening van de opbrengsten wordt uitgegaan van het gemiddelde aantal overnachtingen van de 3 voorgaande afgesloten belastingjaren 2022-2024. Er wordt net als in voorgaande jaren een apart besluit voorgelegd om de verordening toeristenbelasting en daarmee de tarieven voor 2026 vast te stellen. In de verordening is
tevens een forfaitaire berekeningswijze opgenomen voor het aantal overnachtingen per jaar voor vaste jaarplaatsen en seizoenplaatsen op basis van het gemiddelde aantal gasten en de gemiddelde verblijfsduur. De uitgangspunten van de forfaitaire berekeningswijze voor 2026 zijn ten opzichte van 2025 niet gewijzigd.
Tarieven
Vanaf 2024 is ingezet op een geleidelijke verhoging van het tarief toeristenbelasting van € 1,90 in 2024 naar € 2,80 in 2026. Naar aanleiding van het aangenomen initiatiefvoorstel ‘Begroting 2026-2029’ is een additionele verhoging van toepassing van € 0,50 waardoor het tarief uitkomt op € 3,30 . Voor overnachtingen op minicampings met 30 plaatsen of minder is tot en met 2025 een lager tarief van toepassing geweest. Met ingang van 2024 is gestart met de afbouw van deze tariefdifferentiatie waardoor in 2026 en verdere jaren sprake is van één algemeen tarief toeristenbelasting.
Opbrengsten
Rekening houdend met het bovengenoemde worden de begrote opbrengsten voor 2025 tot en met 2028 als volgt geraamd:
Bedragen x € |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Toeristenbelasting |
2.120.000 |
2.184.000 |
2.247.000 |
2.311.000 |
2.10 Reclamebelasting
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 2.10 ReclamebelastingIn 2012 is op initiatief van de ondernemers in het centrumgebied een reclamebelasting ingevoerd. Met de reclamebelasting worden voor 2025 belastingopbrengsten gegenereerd met een begrote omvang van € 65.000. De belastingopbrengst wordt, na aftrek van de perceptiekosten, in de vorm van een subsidie uitgekeerd aan de vereniging of stichting die de activiteiten namens de ondernemers uitvoert (ondernemersfonds). De ondernemers bepalen zelf de activiteiten. Reclamebelasting vormt daarmee geen inkomstenbron voor de gemeente. De gemeenteraad moet middels het vaststellen van de Verordening reclamebelasting 2026 instemmen met de heffing, en toetsen op het algemeen belang in de openbare ruimte.
3. Overzichten
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 3. Overzichten3.1 Opbrengstenoverzicht
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 3.1 OpbrengstenoverzichtIn de volgende tabel wordt op volgorde van programmaonderdeel per belastingsoort en heffing een overzicht gegeven van de geraamde opbrengsten 2025 – 2029, afgerond op duizendtallen.
Grootboek |
Omschrijving |
Begroot
2025 |
Begroot
2026 |
Begroot
2027 |
Begroot
2028 |
Begroot
2029 |
|---|---|---|---|---|---|---|
6020010 |
Rijbewijzen |
167.000 |
209.000 |
245.000 |
229.000 |
239.000 |
6020020 |
Burgerlijke stand |
120.000 |
123.000 |
123.000 |
123.000 |
123.000 |
6020030 |
Reisdocumenten |
452.000 |
515.000 |
615.000 |
523.000 |
216.000 |
6020050 |
Diverse leges |
9.000 |
12.000 |
12.000 |
12.000 |
12.000 |
6020070 |
Naturalisaties |
40.000 |
33.000 |
33.000 |
33.000 |
33.000 |
6020080 |
Verklaring Omtrent Gedrag VOG |
3.000 |
5.000 |
5.000 |
5.000 |
5.000 |
6330100 |
Marktgelden |
19.000 |
30.000 |
30.000 |
30.000 |
30.000 |
6570400 |
Evenementen, feesten, kermis |
6.000 |
6.000 |
6.000 |
6.000 |
6.000 |
6660400 |
Gehandicaptenparkeerkaarten |
25.000 |
30.000 |
30.000 |
30.000 |
30.000 |
6810100 |
Bestemmingsplannen |
10.000 |
1.000 |
1.000 |
1.000 |
1.000 |
6830500 |
Leges omgevingsvergunningen |
1.243.000 |
1.282.000 |
1.282.000 |
1.282.000 |
1.282.000 |
6720100 |
Rioolheffing |
3.917.000 |
4.095.000 |
4.184.000 |
4.273.000 |
4.362.000 |
6730100 |
Afvalstoffenheffing |
4.627.000 |
4.776.000 |
4.919.000 |
5.065.000 |
5.219.000 |
6750100 |
Grafrechten |
283.000 |
303.000 |
313.000 |
325.000 |
325.000 |
6061100 |
OZB woningen |
6.227.000 |
7.166.000 |
7.510.000 |
7.924.000 |
8.133.000 |
6062100 |
OZB eigenaren bedrijven |
2.569.000 |
2.822.000 |
2.875.000 |
2.955.000 |
2.955.000 |
6064200 |
Precariobelasting |
67.000 |
75.000 |
75.000 |
75.000 |
75.000 |
6064300 |
Reclamebelasting |
65.000 |
65.000 |
65.000 |
65.000 |
65.000 |
6340100 |
Forensenbelasting |
116.000 |
130.000 |
130.000 |
130.000 |
130.000 |
6340200 |
Toeristenbelasting |
1.657.000 |
2.120.000 |
2.184.000 |
2.247.000 |
2.311.000 |
Totaal |
21.622.000 |
23.798.000 |
24.637.000 |
25.333.000 |
25.552.000 |
|
3.2 Kostendekkendheid leges
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 3.2 Kostendekkendheid legesx
Onderwerp legesverordening |
Directe kosten |
Loonkosten |
Overhead |
Opbrengst |
Kostendekkendheid |
|---|---|---|---|---|---|
Hoofdstuk 1 - Algemene dienstverlening |
|||||
Paragraaf 1.1 - Burgerlijke stand |
48.545 |
38.884 |
123.025 |
140,71% |
|
Paragraaf 1.2 - Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart |
286.273 |
189.321 |
151.615 |
515.147 |
82,13% |
Paragraaf 1.3 - Rijbewijzen |
64.800 |
113.357 |
90.791 |
208.517 |
77,53% |
Paragraaf 1.4 - Verstrekkingen in het kader van de basisregistratie persoonsgegevens |
8.495 |
6.808 |
12.353 |
80,72% |
|
Paragraaf 1.5 - Bestuursstukken |
|||||
Paragraaf 1.6 - Vastgoedinformatie |
|||||
Paragraaf 1.7 - Overige publiekszaken |
2.370 |
1.582 |
1.268 |
4.623 |
88,56% |
Paragraaf 1.8 - Gemeentearchief |
|||||
Paragraaf 1.9 - Bijzondere wetten |
15.000 |
118.355 |
90.547 |
278.306 |
124,30% |
Paragraaf 1.10 - Diversen |
|||||
Totaal hoofdstuk 1 |
368.442 |
479.655 |
379.913 |
1.141.971 |
92,99% |
Hoofdstuk 2 - Omgevingswet |
|||||
Paragraaf 2.1 - Algemene bepalingen |
|||||
Paragraaf 2.2 - Voorfase |
52.017 |
32.331 |
35.239 |
41,78% |
|
Paragraaf 2.3 - Activiteiten met betrekking tot bouwwerken |
70.349 |
487.628 |
303.072 |
1.114.809 |
129,47% |
Paragraaf 2.4 - Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed |
|||||
Paragraaf 2.5 - Milieubelastende activiteiten |
|||||
Paragraaf 2.6 - Lozingsactiviteiten |
|||||
Paragraaf 2.7 - Aanlegactiviteiten |
20.522 |
12.754 |
8.371 |
25,16% |
|
Paragraaf 2.8 - Overige activiteiten |
1.804 |
1.121 |
635 |
21,71% |
|
Paragraaf 2.9 - Maatwerkvoorschriften bij bouwactiviteiten |
|||||
Paragraaf 2.10 - Gelijkwaardigheid |
|||||
Paragraaf 2.11 - Overige tarieven |
3.307 |
2.056 |
1.431 |
26,68% |
|
Paragraaf 2.12 - Modaliteiten |
212.954 |
120.407 |
148.880 |
44,66% |
|
Paragraaf 2.13 - Vermindering |
6.916 |
4.298 |
-26.667 |
-237,80% |
|
Paragraaf 2.14 - Teruggaaf |
827 |
513 |
|||
Totaal hoofdstuk 2 |
70.349 |
785.975 |
476.552 |
1.282.698 |
96,24% |
Hoofdstuk 3 - Europese dienstenrichtlijn |
|||||
Paragraaf 3.1 - Horeca |
3.426 |
2.352 |
5.324 |
92,16% |
|
Paragraaf 3.2 - Seksbedrijven |
|||||
Paragraaf 3.3 - Winkeltijdenwet |
|||||
Paragraaf 3.4 - Organiseren evenement of markt |
4.430 |
3.041 |
5.566 |
74,50% |
|
Paragraaf 3.5 - Standplaatsen |
2.586 |
1.775 |
5.892 |
135,08% |
|
Paragraaf 3.6 - Huisvestingswet 2014 |
|||||
Paragraaf 3.7 - In dit hoofdstuk niet benoemd besluit |
773 |
584 |
1.136 |
83,65% |
|
Totaal hoofdstuk 3 |
11.215 |
7.752 |
17.918 |
94,46% |
|
Totaal |
438.791 |
1.276.845 |
864.217 |
2.442.587 |
94,68% |
Recapitulatie Hoofdstuk 1, 2 en 3 |
Directe kosten |
Loonkosten |
Overhead |
Opbrengst |
Kostendekkendheid |
Kostendekking Hoofdstuk 1 |
368.442 |
479.655 |
379.913 |
1.141.971 |
92,99% |
Kostendekking Hoofdstuk 2 |
70.349 |
785.975 |
476.552 |
1.282.698 |
96,24% |
Kostendekking Hoofdstuk 3 |
11.215 |
7.752 |
17.918 |
94,46% |
|
Kostendekking totale tarieventabel |
438.791 |
1.276.845 |
864.217 |
2.442.587 |
94,68% |
4. Kwijtscheldingsbeleid
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 4. KwijtscheldingsbeleidVoor de afvalstoffen- en rioolheffing bestaat de mogelijkheid om op basis van het “Besluit kwijtschelding gemeentelijke belastingen Castricum 2026” een kwijtscheldingsverzoek in te dienen. In Castricum wordt bij de kwijtschelding afgeweken van de normen zoals deze zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Hierin zijn in artikel 16, tweede lid, onderdelen a en b, de kosten van bestaan gesteld op 90% van de bijstandsnorm. Castricum gaat echter uit van de meest ruime, de zogenaamde 100% norm. Dit houdt in, dat kwijtschelding wordt verleend aan belastingschuldigen die een inkomen hebben dat op of onder 100 procent van de landelijk geldende bijstandsnorm ligt. De kwijtschelding wordt meegenomen in de berekening van de kostendekkendheid van de afvalstoffen- en rioolheffing.
Kwijtschelding wordt zoveel mogelijk automatisch verleend. Dit gebeurt door middel van een automatische koppeling met landelijke inkomens- en vermogensgegevens door het Inlichtingenbureau met belastingplichtigen die hiervoor toestemming hebben gegeven.
Kerncijfers
Naast de toegekende gehele kwijtschelding bestaat er een grote variatie in gedeeltelijk toegekende verzoeken waarbij een percentage van de aanslag wordt kwijtgescholden. Om deze reden wordt niet uitgegaan van het totale aantal toekenningen maar van de bedragen kwijtschelding riool- en afvalstoffenheffing uit de laatste jaarrekening. Voor de komende jaren verwachten we geen grote veranderingen.
Rekening houdend met een gelijkblijvend aantal toekenningen worden de uitgaven voor 2026 tot en met 2029 als volgt geraamd:
Bedragen x € |
2026 |
2027 |
2028 |
2029 |
||
Kwijtschelding riool |
75.000 |
75.000 |
75.000 |
75.000 |
||
Kwijtschelding afval |
93.000 |
93.000 |
93.000 |
93.000 |
5. Lokale lastendruk
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - 5. Lokale lastendrukDe lokale woonlasten worden bepaald door de afvalstoffenheffing, de OZB en de rioolheffing. De hoogte van deze belasting en heffingen tezamen, wordt geduid met het begrip “lokale lastendruk” De lokale lastendruk wordt bijgehouden door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) In dit artikel zijn de meest recente gegevens gebruikt, afkomstig uit de door het COELO gepubliceerde atlas van de lokale lasten 2025.
De lokale lastendruk in Castricum bedraagt gemiddeld voor een:
- één-persoonshuishouden met eigen woning € 869, in 2024 was dat € 835 en in 2023 was dat € 799.
- meerpersoonshuishouden met eigen woning € 966, in 2024 was dat € 932 en in 2023 was dat € 890.
- één-persoonshuishouden met een huurwoning € 460, in 2024 was dat € 453 en in 2023 was dat € 439
- meerpersoonshuishouden met een huurwoning € 557, in 2024 was dat € 549 en in 2023 was dat € 530.
Woonlasten 2025 en rangnummers landelijk
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - Woonlasten 2025 en rangnummers landelijkDe gemeentelijke woonlasten voor huishoudens met een koopwoning en een huurwoning zijn door het COELO in beeld gebracht en in een landelijke ranglijst opgenomen. De gemeente op nummer 1 van de ranglijst heeft de laagste woonlasten, de gemeente op nummer 346 de hoogste. Castricum bezet in de landelijke ranglijst van gemeentelijke woonlasten 2025 de volgende plaatsen:
- meerpersoonshuishouden met een eigen woning: plaats 92, in 2024 was dat plaats 101, in 2023 plaats 118 en in 2022 plaats 132.
- meerpersoonshuishouden met een huurwoning plaats 232, in 2024 was dat plaats 246, in 2023 plaats 264 en in 2022 plaats 277.
Wat de plaatsen op de landelijke ranglijst worden in 2026, hangt naast de hoogte van de tarieven in Castricum, mede af van de ontwikkelingen elders in Nederland.
Ontwikkeling tarieven |
2023 |
2024 |
2025 |
NL gemiddeld 2025 |
||
OZB-woningen tarief |
0,06720% |
0,06990% |
0,07200% |
0,09240% |
||
OZB-woningen gemiddeld |
€ 360 |
€ 383 |
€ 409 |
€ 454 |
||
Afval (meerpersoonshuishouden) |
€ 320 |
€ 332 |
€ 333 |
€ 364 |
||
Riool (huishouden) |
€ 210 |
€ 217 |
€ 224 |
€ 235 |
||
Woonlasten (meerpersoonshuishouden) |
€ 890 |
€ 932 |
€ 966 |
€ 1.053 |
||
Plaats ranglijst (landelijk) |
118 |
101 |
92 |
195 |
Gemeente |
OZB (gemiddeld) |
Afvalstoffen- heffing 1 persoons huishouden |
Afvalstoffen- heffing meerpersoons huishouden |
Rioolheffing |
||
Bergen |
€ 652 |
€ 264 |
€ 365 |
€ 219 |
||
Uitgeest |
€ 633 |
€ 230 |
€ 354 |
€ 217 |
||
Castricum |
€ 409 |
€ 236 |
€ 333 |
€ 224 |
||
Heiloo |
€ 566 |
€ 219 |
€ 355 |
€ 222 |
||
Landelijk (gemiddeld) |
€ 454 |
€ 279 |
€ 364 |
€ 235 |
Benchmark woonlasten Noord-Holland 2025
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - Benchmark woonlasten Noord-Holland 2025De benchmark beoogt door middel van vergelijking van de tarieven en de gemeentelijke woonlasten op provinciaal niveau, de informatievoorziening over de ontwikkeling van de lokale lasten te bevorderen. De benchmark vergelijkt binnen een provincie de hoogte van de gemeentelijke woonlasten voor meerpersoonshuishoudens met een koopwoning. De woonlasten zijn de som van de gemiddeld betaalde ozb, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing minus een eventuele heffingskorting.
In de ‘benchmark woonlasten Noord-Holland 2025’ zijn 44 gemeenten betrokken. De gemeente op plaats 1 kent met € 846 de laagste gemiddelde woonlasten en de gemeente op plaats 44 de hoogste met € 2.117. De gemiddelde woonlasten in Noord-Holland bedragen € 1.086, het landelijke gemiddelde bedraagt € 1.053.
In de provinciale benchmark 2025 neemt Castricum met gemiddelde woonlasten van € 966 voor een drie- of meerpersoonshuishouden, plaats 8 in. In 2024 was dat met een lokale lastendruk van
€ 932 plaats 10. In de benchmark 2025 hieronder, is de positie van Castricum met een pijl aangegeven.

Ontwikkeling woonlasten Castricum
Terug naar navigatie - Paragraaf A: Lokale heffingen - Ontwikkeling woonlasten CastricumIn het overzicht hieronder is de ontwikkeling van 2023 tot en met 2025 weergegeven van de belasting en de heffingen in Castricum waarop de lokale lastendruk is gebaseerd. Tevens is daarbij per jaar de positie op de landelijke ranglijst vermeld voor de gemiddelde lokale lastendruk van een meerpersoonshuishouden met een koopwoning. Daarnaast zijn ter vergelijking voor 2025 ook de gemiddelde landelijke tarieven vermeld.
In de tabel hieronder zijn de belasting en de heffingen weergegeven waarop de lokale lastendruk is gebaseerd in de BUCH verband. De afvalstoffenheffing is samengesteld uit een vast en variabel deel waarbij de hoogte van de variabele heffing is gebaseerd op het door het CBS gepubliceerde gemiddelde gemeentelijke afvalaanbod.